Loading

Wat alleen de roman kan zeggen

Wat alleen de roman kan zeggenEen recensie over een essay deze keer. Ik lees nooit essays. Ik lees alleen romans. Ik verslind ze. Niks beters dan vroeg onder de dekens met een boek, de wind gierend door de kieren van ons oude huis, de regen roffelend tegen de beslagen ramen. Wat ik na een paar bladzijden overigens al niet meer hoor omdat ik – zoals De Jong het omschrijft – door de taal van de schrijver een andere ruimte betreed (blz. 24). Precies dat.

Oek weet wat er in mij omgaat

Ik kan me helemaal vinden in zijn schitterende en rake omschrijvingen van wat het lezen van een goed boek met je doet. Het lezen als vlucht uit het verbrokkelde leven van alledag (blz. 24), romanpersonages die eerder een mentaal beeld zijn dan een fysieke verschijning (blz. 24 – ik heb me altijd afgevraagd of dat ‘normaal’ is, en verdomd, Oek heeft het ook!). Een boek missen als je het uit hebt, en jezelf uitsluitend in geschreven woorden echt goed kunnen uitdrukken. De Jong is (letterlijk en figuurlijk) lyrisch over lezen en schrijven, net als ikzelf. Ik ben blijkbaar helemaal zijn doelgroep.

Of wacht

Na een bladzijde of dertig ga ik daaraan twijfelen. Het begint met deze opmerking: ‘Het effect dat de nieuwe media hebben is inmiddels bekend: vanaf een zeker punt slaat het gemak dat ze bieden om in ongemak, de vrijheid die ze geven in onvrijheid (…) en het toch al zo haastige en gefragmenteerde leven wordt nog haastiger en gefragmenteerder’. Ho even. Daar ben ik het niet mee eens.

Als ik verder lees kom ik steeds meer uitspraken tegen die doen vermoeden dat De Jong tot die groep van literaire bollebozen behoort die de vernieuwingen die onze samenleving rijk is diep vanbinnen veroordeelt (ookal weet hij het prima in een beschouwende toon te verpakken). Nog erger, hij heeft geen goed woord over voor de schrijvers van deze tijd, die gebruik maken ‘van cliché’s en sjablonen, van personages die ofwel ‘goed’ ofwel ‘slecht’ zijn, van spanning die met trucs wordt opgeroepen, van een taal die niet persoonlijk is’ (blz. 41). Hij beschrijft een literair auteur als een zelfverkozen slachtoffer van zijn eigen vak, een schrijver die niet vrij is in zijn onderwerpkeuze, omdat een onderwerp zich, of hij dat nu wil of niet, aan hem opdringt en hem niet meer los laat (blz. 41/42).

Ik voel een lichte irritatie opkomen

Als je het onderwerp zelf uitkiest, in plaats van het onderwerp jou, ben je blijkbaar geen echte schrijver. Zucht. Toch jammer dat het de echte schrijvers steeds weer lukt om zo’n verheven toon aan te slaan. Natuurlijk, je behóórt ook tot een aparte groep mensen als je de hele wereld over kunt reizen (van de Provence tot Tanzania), je de tijd hebt om elke dag meerdere kranten te lezen, kunt citeren uit honderden boeken – van de Klassieke Oudheid tot Tolstoj, Dostojevski, Joyce, Proust, Flaubert en Kawabata – en je en passant ook nog even een essay over literatuur kunt schrijven omdat je toevallig tóch net klaar was met je vorige boek. Van zo’n leven kan ik als wannabe-schrijver alleen maar dromen. Maar moet ik dat állemaal weten als ik over zo’n mooi onderwerp als ‘de roman’ ga lezen? Nee.

Conclusie

Wat alleen de roman kan zeggen is een prachtig essay over romankunst, over lezen en schrijven in een tijd waarin nieuwe media en beeld het dagelijks leven volledig hebben overgenomen. Geschreven door een auteur die overduidelijk in andere tijden is opgegroeid en bang is dat het vak waar hij zoveel liefde voor voelt zal uitsterven. Het is echter ook een kleine Oek de Jong-show, een kijk-eens-wat-ik-allemaal-doe-en-weet betoog. Misschien niet eens bewust. Ik heb dan ook even getwijfeld of ik er zo’n punt van moest maken. Maar ik kon niet anders, het drong zich aan me op en liet me niet meer los.

______________________________________

Een perfecte dag voor literatuur (vernoemd naar het verhaal Een perfecte dag voor bananenvis van J.D. Salinger) is een leesclub voor bloggers met een literaire smaak. Bij deze Not Just Any Blog Club lezen we gelijktijdig hetzelfde boek en bloggen er daarna over in welke vorm we maar willen.

 

Pages:

Over Marie: hoe je een roman schrijft zonder een roman te schrijven

Vekeman- Marie 600Een impotente burgemeester, een van top tot teen behaarde vrouw, afgehakte hoofden en afgebeten penissen. Als je een fan bent van absurdistische verhalen met verrassende wendingen, zit je met het boek ‘Marie’ van Christophe Vekeman helemaal goed. Ik houd daar ook wel van, zo op z’n tijd. Maar het lezen van ‘Marie’ was voornamelijk een bevreemdende ervaring. 

Een ode aan de liefde en aan de literatuur

Dat staat er, op de achterflap. De boodschap over de liefde is duidelijk. Het verhaal wordt verteld door ‘de dokter’ die twaalf jaar geleden zijn grote liefde Marie verloor. Sindsdien slijt hij zijn dagen in een toestand van rouw die van geen wijken wil weten. Hij is zo verbitterd over het feit dat Marie hem is afgenomen, dat hij wraaklustige gevoelens ontwikkelt voor iedereen in zijn woonplaats Abraham. Zijn woede over het feit dat de inwoners van het dorpje gewoon verdergaan met hun leven en zich druk maken om betekenisloze problemen, zorgt voor een serie gebeurtenissen waar je mond van openvalt. De liefde: altijd een goed motief voor de meest bizarre plotwendingen in boeken en films.

De literatuur dan

Ook overduidelijk aanwezig. Met zijn soms wel tien regels lange zinnen vol tangconstructies waar je ‘u’ tegen zegt, en bladzijden vol wollig en breedsprakig taalgebruik, laat Vekeman zien waartoe hij met woorden in staat is. Bijna iedere zin is een verhaal op zich. Ook creëert Vekeman met zijn verwijzingen naar schrijvers als W.F. Hermans, Flaubert en Tsjechov een tweede betekenisniveau, een soort meta-bewustzijn. De schrijver van dit boek is in werkelijkheid Vekeman, maar binnen het kader van het verhaal is het ‘de dokter’ die een boek schrijft over zijn verloren liefde Marie. Op z’n laatst aan het eind van de roman ontdek je als lezer de dubbele laag die Vekeman weet te construeren. De literatuur: Vekeman heeft alles uit de kast getrokken om te laten zien dat hij er veel vanaf weet en dit vervolgens ondergebracht in een roman over een roman. 

Want dat is wat ‘Marie’ voor mij is

Een boek over een boek, dat uiteindelijk een ander verhaal vertelt dan verwacht. Een verhaal, geschreven door een van verdriet doorgedraaide dokter, opgetekend door een van literaire kunstgrepen overlopende Vekeman. Maar misschien draaf ik met deze omschrijving ook wel te ver door. Misschien is het veel simpeler en bestaat de ode aan de literatuur in dit boek uit de conclusie dat een schrijver zijn personages alles kan laten doen waar hij zin in heeft. Hij is immers de schrijver van het boek, de literaire vader van de karakters. Hij mag zijn fictieve figuren ongestraft de meest belachelijke eigenschappen aanmeten en ze daarna één voor één de keel doorsnijden. Wellicht is dat wel de allerbeste remedie voor het verwerken van pijn en verdriet. 

________________________________

Een perfecte dag voor literatuur (vernoemd naar het verhaal Een perfecte dag voor bananenvis van J.D. Salinger) is een leesclub voor bloggers met een literaire smaak. Bij deze Not Just Any Blog Club lezen we gelijktijdig hetzelfde boek en bloggen er daarna over in welke vorm we maar willen.

 

 

Pages:

Lege broodtrommels, kinderliedjes en waarom het me niet meer lukt om te bloggen

Ochtend

 

Vorige week kreeg ik een berichtje van één van mijn beste Twittervrienden:

“Het is al een maand stil op je blog. Alles oké?”

Huh, wat?

Een maand?

Shit, inderdaad…

Dat ging snel. Voor mijn gevoel is dat bezoek in het park pas twee weken geleden.
Of, nou ja, drie misschien. 

Wat is je probleem, Eef? 

Elke week even iets schrijven, zo moeilijk is dat toch niet?

Nou, wel dus.

Ik schrijf niet meer ‘even’ iets. Dat heeft een reden. Meerdere zelfs. Ik heb een tweede kind gekregen. Ik ben weer aan het werk. Ik doe een cursus. En ik probeer dat allemaal in één week te proppen. 

De maandagen zijn het ergst

Dan moeten er twee kids naar het kinderdagverblijf en twee volwassenen naar hun werk. Liefst vóór de spits. Maar dat lukt niet, want het is maandag: Humeurige vent. Jankende dochter. Spugende zoon. Een poepluier. En niet te vergeten een grootscheepse zoekactie naar de autosleutels, die dochterlief op zondagavond samen met Bumba en Jokie in het laadruim van de piratenboot heeft verstopt. En zich dat uiteraard niet meer kan herinneren.

En dan nóg een poepluier

Dus zitten we in de spits.

R. vloekend en zwetend, ik sussend en trillend. Dat laatste omdat ik nog geen tijd had om te ontbijten.

Ik graai in mijn tas naar mijn broodtrommel.

Leeg.

Die boterhammen die daar in hadden moeten zitten… ik zie ze liggen. Op het aanrecht.

Godver

Door naar het kinderdagverblijf.

R. zeult de maxi cosi de straat door, ik speel De Positieve Moeder door met mijn dochter mee te huppelen en te zingen.
“Hoooooofd, schouders, knie en…. Nee, schat, we hebben nu geen tijd om je tenen….” Dochter blijft met een ruk staan, slaat haar armpjes over elkaar en zet een pruillip op.

Zucht. Oké dan.
“… Oooooren, ooooogen, puntje van je….” R. staat al bij de ingang van het kdv en wenkt me met geagiteerde gebaren. Ik til mijn dochter op en zet er de pas in. “NEEEUUUUSSSSS!” roept ze verontwaardigd.

Vanavond, schat, vanavond

Binnen handelen we de afgifte af door ons op te splitsen in teams van twee. Slofjes aan, kind naar binnen, beleefdheden uitwisselen, slofjes uit, bonuspunten als we nog even zwaaien, terug naar de auto.

Level 1 volbracht.

Op naar level 2: werk. Vanwege mijn ouderschapsverlof heb ik een dag minder om m’n werk af te krijgen. En open ik dus ‘s avonds thuis toch nog maar even m’n mailbox. Terwijl ik eigenlijk opdrachten voor die cursus moet maken.

Of een was draaien.

Of stofzuigen.

Of het puntje van m’n neus aanraken met m’n dochter.

Of nee, vragen hoe de werkdag van R. was. Samen even tot rust komen op de bank. Tijdens een goed gesprek, of een aflevering van Breaking Bad.

Het zit er niet in

Ik ben moe, ik wil slapen.

Onder de dekens toch nog even lezen. Om de dag van me af te zetten. M’n hoofd leeg te maken door het te vullen met fictie. En, vooruit, omdat ik met Not Just Any Book heb afgesproken dat ik eind september een recensie plaats over het nieuwe boek van Ivo Bonthuis.

Tijdens het lezen vallen mijn ogen dicht.

Game over.

 

De volgende ochtend gaat de wekker om 5.30 uur. Piep-Piep-Play again. Als ik uit bed stap voel ik dat ik spierpijn heb. Van het hardlopen, want dat doe ik ook nog. 

Nou ja, soms dan.

Omdat het goed is voor de stresshantering

Om 5.45 uur zit ik in m’n eentje beneden. Kopje koffie, boterham, stilte. Prachtig moment om even te bloggen.

Ik klap mijn laptop open en log in.

Hopelijk slapen de kinderen nog even door, zodat mijn schrijfmomentje niet abrupt wordt onderbro 

 

Pages:

Het niet hebben van een niche, is ook een niche

Iedere actieve blogger weet het zo onderhand wel: er is een aantal manieren om een community rondom je blog op te bouwen en te behouden. Eén ervan is ‘vind een niche’. Uiteraard heb ook ik daarover nagedacht. Wat is mijn steeds terugkerende onderwerp? Met welk thema spreek ik een specifieke doelgroep aan? Ik kom er niet uit. De vraag is: wíl ik überhaupt wel een niche? En zoja, welke dan?

Eens kijken.

KeukenLifestyle & Beauty
Via De Blogtrommel kwam ik terecht op het blog van Miss Lipgloss, die als 16-jarige begon met het posten van filmpjes over make-up en aanverwante zaken, en inmiddels een succesvolle website runt met 40.000 tot 50.000 unieke bezoekers per dag. Blijkbaar een dijk van een niche.
Maar niet voor mij.
Het idee alleen al. Ik doe ongeveer vier jaar met een doosje make-up spullen, ik lak m’n nagels niet, doe niet aan de lijn, en al ben ik absoluut het type voor een bag-in-bag (zo’n ‘tasorganizer’ voor als je van pure ellende je spullen in je eigen tas kwijtraakt), ik moest hardop lachen toen iemand me vertelde dat zo’n ding daadwerkelijk bestaat. Ik zou er nooit geld aan uitgeven. Ik heb geen tientallen paren schoenen in de kast, sieraden zijn aan mij niet besteed en als ik een geurtje koop is dat meteen een fles in de grootste maat, zodat ik er voor een jaar vanaf ben. Toegegeven, soms kijk ik naar een programma als America’s Next Topmodel. Met de simpele reden dat ik het zó afgrijselijk onherkenbaar vind dat vrouwen uit hun dak gaan voor een onbetaalbare jurk van (íiiiiiiieeeeeehhhhhh!!!!) [vul-hier-de-naam-van-een-bekende-ontwerper-in], dat ik me daarna weer een heerlijk normaal mens met een overzichtelijk leven voel. 

Lichamelijke- of psychische aandoeningen
Lichamelijke gebreken heb ik genoeg: mijn benen zijn te kort, ik ben slechthorend aan één oor, en ik heb een dioptrie van -6 (vóór de uitvinding van de contactlens werd dat ook wel ‘jampotglaasjes’ genoemd)
. O, en ik ben scoliose-patiënt.

[Scoliose (oudgrieks: σκολιός, skolios = krom) is een zijdelingse verkromming van de rug (wervelkolom), waardoor één of twee bochten ontstaan. Het komt in meer of minder ernstige mate voor bij 4 op de 100 mensen. De wervelkolom draait meestal ook om haar as (dan spreekt men van een torsiescoliose) en veroorzaakt zo een bochel (gibbus). Bron: Wikipedia]

Ik behoorde destijds tot de categorie ‘ernstig’ en was op m’n 17e zo bang dat ik de nieuwe Quasimodo zou worden, dat ik er een heftige operatie voor onderging. Is allemaal goed gekomen. Geen stof om over te schrijven in ieder geval. Ik vind die korte benen erger.

Psychisch gezien valt er ook wel wat te bloggen: ik heb last van irreële angsten. Maar als ik daarover ga schrijven, ben ik bang dat het me de rest van mijn leven zal achtervolgen. Dat een toekomstige werkgever het bijvoorbeeld leest en ik nooit meer een nieuwe baan krijg. Dat ik uiteindelijk zonder werk en zonder geld komt te zitten, en dat mijn man me dan zal verlaten. En dat ik dan nooit meer een nieuwe partner zal vinden, want wie zit er nou te wachten op een kortbenige, halfblinde, slechthorende vrouw met een weggewerkte bochel?! Nee, blogs over dat onderwerp, dat durf ik niet. 

Koken en bakken
Ik ben een fan van lekker eten. Er is alleen één probleem: ik ben een flopkok. Ik kan zelfs een pannetje water nog laten aanbranden. De laatste keer dat ik geprobeerd heb om cupcakes te bakken (uit een pakje, met een goede gebruiksaanwijzing), stond de keuken blauw van de rook en moest ik m’n kind uitleggen waarom de cakejes een zwarte topping hadden in plaats van een gekleurde. 

Kinderen
Qua bezoekers zou het geen slecht idee zijn om een ‘mamablog’ te beginnen; ik las een tijd geleden dat ze tot de meest gelezen blogs van Nederland behoren. Ook mijn kinderen zijn een onuitputtelijke bron van liefde, ergernis, humor en stress. Ik kan je zeggen: in combinatie met alle bovengenoemde gebreken is het moederschap een hele uitdaging. Maar ik ben nog zoveel meer dan een mama. Bovendien helpt bloggen me juist om even te ontsnappen aan de ondergespuugde en volgescheten werkelijkheid. 

Religie en politiek
Daar kan ik kort over zijn. Ik vind God (van welke partij dan ook) een waardeloze fractieleider, en in politiek geloof ik niet.

Hobby’s
Als ik ergens niet over uitgepraat raak is het over mijn ‘hobby’ (al associeer ik dit woord vooral met knutselen, vissen of tuinieren). Ik word blij van schrijven en alles wat daarmee te maken heeft. Als ik kijk naar een site als Passie Voor Schrijven, kun je er een compleet blog aan wijden. Ik zou à la Jacob Jan Voerman kunnen bloggen over mijn weg naar het verwezenlijken van een droom: het schrijven van een boek, of het oprichten van een eigen schrijfbedrijf. Maar vooralsnog wil ik over alles kunnen bloggen wat ik tegenkom, waar ik over nadenk, wat me raakt.

Nee, een echte niche zit er voor mij niet in. Je zult hier dus voorlopig uitsluitend blogs over alle bovenstaande onderwerpen lezen. En wie weet, als ik dat maar lang genoeg blijf doen, wordt het niet hebben van een niche op een dag vanzelf een niche.

 

Pages:

Ik ben gewoon een 2-euromunt

Social media, en dan met name blogs en Twitter, ik word daar erg blij van. Ik geloof er heilig in dat je er dingen mee kunt bereiken. Niet alleen privé, maar ook in je werk. Het kost niks. Tenminste, geen geld. Wel energie. Ik moet er wat voor doen om ervoor te zorgen dat mijn volgers mijn volgers blijven en regelmatig dit blog bezoeken. Sinds kort verdiep ik me meer in mijn blogstatistieken: hoeveel mensen er per dag op mijn blog komen, welke posts ze lezen en hoe ze hier terecht zijn gekomen. Dat laatste doet me steeds opnieuw beseffen dat het ‘creëren van traffic naar je website’, zoals dat zo mooi heet, hard werken is. Want al lukt het me aardig om teksten te schrijven die worden gelezen en gewaardeerd, een bezoek aan mijn blog gebeurt in de meeste gevallen alleen nog als reactie op een Twitterbericht en retweets van de lezers. Daarna zakken die balkjes gewoon weer naar beneden. 

Om retweets is het me natuurlijk in eerste instantie te doen. Een retweet betekent dat een lezer mijn content interessant of leuk genoeg vindt om met anderen te delen. En die anderen komen dan altijd even kijken. Maar ik ben slechts zo goed als mijn laatste post. Van de bezoekers die via een (re)tweet op mijn blog komen, leest iedereen de allereerste tekst, de helft ervan degene die daar direct onder staat en slechts een handjevol klikt door naar andere teksten.

Twee euro muntIn eerste instantie speelt mijn onzekerheid dan op. Oké, die saunatekst en die sollicitatiebrief vielen blijkbaar in de smaak, maar niet genoeg om langer op mijn blog te blijven? Waren de andere posts zoveel minder goed dat de lezer besloot om weer verder te surfen? (surfen? bestaat die term eigenlijk nog?) Of heeft het te maken met de vluchtigheid van het medium en is een blog nog steeds niet te vergelijken met een boek of tijdschrift waar je eens even lekker voor gaat zitten met een kop koffie, zoals je dat vroeger met een krant deed? 

Als ik mijn timeline moet geloven lezen mensen iedere dag meerdere artikelen om deze vervolgens op Twitter te delen. Wanneer doen ze dat allemaal? Onder werktijd? En hoe zit het met de schrijvers die iedere dag bloggen? Hebben die wellicht helemaal geen baan? Of geen familie die ‘s avonds tijd met ze door wil brengen?

Deze vragen waren er natuurlijk de reden van dat ik terechtkwam op de website van Kitty Kilian. Haar Blogacademie ‘leert je belachelijk goed zakelijk bloggen’. Haar posts zijn goed, van het rake soort. En het soort dat je raakt. Ik was er binnen no time van overtuigd dat ik die cursus moet gaan doen. Niet alleen voor mezelf, maar ook voor m’n werk. Ik had al bijna op de inschrijfknop gedrukt, toen ik het cursusgeld zag. Bijna 1500 euro. Uh! Dat kan ik niet betalen. Als ik 1500 euro over zou hebben, zou ik eerst met mijn gezin op vakantie gaan. Dat is al drie jaar niet gebeurd. Dus.

Een betaalbaardere cursus zoeken dan maar. Of datgene doen wat in veel boeken over bloggen en schrijven wordt geadviseerd: het zo vaak mogelijk doen om steeds beter te worden. En toch steeds maar weer in die Twitter-timeline klimmen. Want als ik dat regelmatig doe, zo bewijzen mijn statistieken, krijg ik op slag meer volgers en lezers. Daar gaat het mij natuurlijk om. Ik ben een schrijver met het verlangen om ooit méér met dat schrijven te gaan doen. Dan is de aanwezigheid van een club mensen die dat op voorhand ook ziet zitten wel meegenomen.

Soms laat ik me ontmoedigen. Dan kom ik ineens artikelen tegen die me de moed in de schoenen doen zakken. Zoals een stuk van Jasper Henderson in de Groene Amsterdammer (uit 2010, kwam ik deze week weer in de stapel tegen). Ik citeer hem hier even:

Nog altijd vind ik het onvoorstelbaar dat honderdduizenden mensen de ambitie hebben om een boek te schrijven en dat ook nog gepubliceerd te krijgen. Het fenomeen van de weblog en meest recent Twitter heeft het er niet beter op gemaakt: iedereen met een enigszins succesvolle blog meent al snel dat een roman tot de mogelijkheden behoort. Dat die uitingsvormen juist haaks op elkaar staan en dat het schrijven van een roman nog altijd een ambacht is, is iets wat je maar beter voor je kunt houden.

Ik trok me dit citaat in eerste instantie nogal aan. Misschien is het inderdaad een illusie dat het bescheiden publiek dat ik via Twitter rondom mijn blog opbouw mij ooit Het Echte Werk gaat opleveren. Maar als ik het allemaal maar laat afhangen van toeval, dan kom ik natuurlijk helemaal nergens. Dat het schrijven van een roman een ambacht is weet ik ook wel, maar waar beter dan op een weblog kan ik als schrijver testen of mensen mijn verhalen lezenswaardig vinden?

En dus… probeer ik dat soort uitspraken maar weer naast me neer te leggen. Wat niet makkelijk is, want ik ben diep vanbinnen een kleine pessimist. Te snel bereid om te geloven dat ik zoiets als een ‘Waanzinnig Plan’ (ja, dat boek ligt hier ook) niet kan waarmaken. Soms galmt een vroegere uitspraak van mijn moeder nog wel eens na in mijn hoofd: ‘Wie een dubbeltje is, wordt nooit een kwartje’. Gelukkig bestaan die munteenheden niet meer en kan ik die opvoedkundig-niet-zo-handige uitspraak nu dus lekker aan mijn laars lappen. Het naar mijn eigen hand zetten. Ik ben gewoon een 2-euromunt! Of nee, (*iets zelfverzekerder, Eef!*) een briefje van vijf!!

Al lijkt de waarde van zo’n briefje weinig, met een beetje creativiteit kun je er best wel wat leuks mee.

 

Pages:

Lekker sociaal

Drie jaar geleden had ik nog een logge Nokia N95 met een onhandig gekozen sim-only abonnement, waardoor ik met het ding niet eens het internet op kon. Mijn Twitteraccount bestond slechts enkele weken en de teller stokte op 32 volgers. Achteraf gezien weet ik niet eens meer wie dat waren, maar meer dan wat collega’s en real life vrienden zullen het niet zijn geweest. Op mijn blog werd niet of nauwelijks gereageerd, wat logisch was, want bijna niemand wist van het bestaan ervan. Intussen zat ik me wekelijks af te vragen hoe ik dat nu het beste kon aanpakken: schrijven voor een groter publiek dan mijn eigen familieleden.

Twitterblog

Rollende oogbollen
Sinds pakweg anderhalf jaar ziet de wereld, of beter gezegd: mijn wereld, er heel anders uit. Bij de eerstvolgende verlenging van mijn mobiele abonnement schafte ik een smartphone aan waarmee ik op elk moment online kan en ging aan de slag met het ‘promoten’ van mijn blog op Twitter. Een lastig iets, vond ik. Het voelde alsof ik buiten in een straatje, op een (klein, zelfgemaakt) podium ging staan met een spandoek met de tekst ‘Hallo, ik ben Evelyne, ik schrijf, ik denk zelf dat ik dat best aardig doe en ik wil dat jullie het gaan lezen!’ De angst voor passanten met rollende oogbollen, schuddende hoofden of spottende blikken was groot. Ik bedoel, mijn familie en vrienden kunnen dan wel zeggen dat ze mijn teksten mooi, leuk en leesbaar vinden, dat zegt natuurlijk niet écht iets over de kwaliteit van mijn schrijfsels. Hoe vaak zien we zelfbenoemde zangers niet een rigoureuze afgang tegemoet gaan in talentenjachten zoals The Voice of X-Factor, omdat hun familie en vrienden hen wijsmaken dat ze de nieuwe Whitney Houston of Robbie Williams zijn?

Inmiddels heb ik mijn zelfgeknutselde podiumpje echter verruild voor een iets steviger exemplaar, mijn locatie van het relatief onvindbare steegje verplaatst naar een plein en durf ik het aan om mensen direct aan te spreken of zelfs om hulp te vragen. En sindsdien ben ik alleen maar gegroeid. Niet alleen in volgersaantal (wat niet eens zo belangrijk is), maar ook in zelfverzekerdheid. Ik sleutel niet meer dagenlang aan een blogpost voordat ik hem online plaats en ik stel steeds opnieuw weer vast dat schrijven makkelijker wordt naar mate ik het vaker doe. Door mee te doen aan blog-initiatieven zoals Peter Pellenaars’ #50books en Else Kramers #synchroonkijken train ik mezelf om anders naar de wereld om mij heen te kijken – en daarover te schrijven.

Slap ouwehoeren
Het allerleukste aan sociale media vind ik echter het sociale aspect. Klinkt als een inkopper, maar het gaat verder dan het ‘slap ouwehoeren met een stelletje volslagen vreemden’ waar mijn man mij in begin nog wel eens van betichtte. Zo bracht Helen Soler mij in contact met andere Prince-fans, die me via Twitter op nieuw videomateriaal van zijn concerten attenderen. Ik won gratis toegangskaartjes tot events en workshops en kreeg antwoord op vragen over hardloopschema’s, recepten en filemeldingen die ik in mijn directe omgeving nooit zo snel had kunnen vinden.
Ook het lezen van andere blogs (zie ook mijn blogroll in de rechter sidebar) levert mij, naast inspiratie, waardevolle contacten op. Zo kwamen Struikelblog en Ik wil niet dood tot stand na een mailwisseling met Steven Gort en zette Ruud Ketelaar mij aan tot het publiceren van een ervaring die ik nog nooit eerder had opgeschreven. Jacob Jan Voerman motiveerde mij tot het lezen van het boek Waanzinnige Plannen – en niet minder belangrijk: tot het daadwerkelijk zetten van stappen. Raymond Snijders en PixelPrinses Irene hielpen mij bij allerlei blog-gerelateerde zaken, van het installeren van de juiste plugins, tot het ontmaskeren van een ‘creepy blogger’. Anneke de Bundel bood mij twee toegangskaartjes aan voor een interessante lezing. Steven den Boer droeg mij voor als blogger voor Ouders Onderling. Ook vroeg een bedrijf mij naar aanleiding van één van mijn teksten om hulp bij hun social media aanwezigheid. En dat is nog maar een kleine greep uit al het positiefs dat Twitter mij heeft opgeleverd.

Geven en nemen anno nu
Nu lijkt het alsof ik online alleen maar dingen ga halen, maar dat is niet zo. Ik vind het ook leuk om zelf iets te brengen. Schrijf- en redigeerhulp, het controleren van webpagina’s en sollicitatiebrieven, maar ook tips over agriturismo’s in de Toscane of in mijn wijk vermiste huisdieren; als mensen erom vragen ben ik altijd bereid om het te geven. Mijn man schudde wel eens vol onbegrip zijn hoofd en mompelde iets in de trant van ‘je bent gek dat je daar je kostbare vrije tijd in steekt’, maar ja, hij is dan ook een rasechte social media scepticus. Ik neem het hem ook niet kwalijk. Je stelt je ervoor open, of je sluit je ervoor af.

De vraag blijft natuurlijk of dat geven nu echt compleet onzelfzuchtig is. Hoop ik niet stiekem dat ik ooit, van één van die mensen die ik ergens mee hielp, iets terugkrijg? Nee, in principe niet. Of trouwens… misschien ook wel. Ik denk dat ik het gewoon leuk vind als mensen me aardig vinden. Dat ik dat nodig heb. Dat ik naar anderen toe heel benaderbaar wil zijn, zodat ik zelf over die gevoelde drempel durf te stappen als ik wil dat iemand eens met mij meedenkt. Want dat was tot nu toe nogal vaak een dingetje. Altijd maar bang dat ik mensen tot last was, dat ze mijn vraag maar stom vonden. Voor iemand die zich in geschreven tekst beter kan uitdrukken dan in gesproken woorden, en face-to-face confrontaties het liefst uit de weg gaat, zijn sociale media de uitvinding van de eeuw.

Inmiddels hebben mijn Twittercontacten geleid tot privé-conversaties via e-mail, ga ik in september ‘in het echt’ naar de theatervoorstelling van Jacob Jan en bereid ik mij mentaal voor op een live-ontmoeting met Steven Gort. Ik ben ervan overtuigd dat deze van online naar offline geëvolueerde contacten mij niet teleur zullen stellen. Ook bij online interactie geldt: wat je geeft, krijg je terug. Dus… ben ik gewoon lekker mezelf. Ik krijg er immers iets moois voor terug: jou, je interessante blogs en artikelen, je kennis. Je onverbloemde mening en je slappe geouwehoer. Kortom, oneindig veel stof voor nieuwe blogs. Oftewel: een heleboel positieve energie.

Pages:

Ik wil niet dood

[BriefBlogwisseling met Steven Gort]

Beste Steven,

Een paar dagen geleden las ik je blog met de titel Ik wil dood. Ik schrok. Ik was verbijsterd. De dood, dat is iets onbegrijpelijks, een niet te bevatten toestand die mij doodsbang maakt. Nadenken over de dood voelt hetzelfde als je proberen voor te stellen dat het heelal oneindig is. Het Engels heeft hiervoor een goede omschrijving: I can’t wrap my head around it. Het past niet in mijn hoofd. Niet letterlijk, niet figuurlijk. Mijn hersenen kunnen het niet aan en dus neemt mijn gevoel het over. Soms laat ik het toe, soms vecht ik ertegen. Hoe dan ook, mijn verstand verliest het keer op keer.

 

Ik verlies het ook steeds van het bang zijn. Die angstcultuur zit er bij mij goed in. Meegekregen van thuis (‘dat kun je beter niet hardop zeggen’), meegemaakt op m’n werk (‘transparantie heeft een grens’). Ook ik voel de weerzin voor de maatschappij. Jouw woorden: Vatbaar ben ik. Voor alle ellende op deze aardkloot. Het verdriet. De pijn. Het onvermogen in de maatschappij. Om naast elkaar te staan. Ze zouden van mezelf kunnen zijn. Dat hebben we gemeen.

Maar ik wil niet dood. Ik moet eerst nog even snel leren leven. Onder de knie krijgen om me te concentreren op dat kleine, grijpbare, wat hier en nu om me heen is. Zonder de angst voor het verlies ervan. In welk opzicht dan ook.

Ik lees jouw blogs daarom altijd met een gevoel van bewondering en respect. Jij schrijft wat in je opkomt, je geeft je ongezouten mening, je laat een groot deel van jezelf zien zonder bang te zijn voor de reactie van anderen. Het maakt je niet uit of jouw omgeving daarna anders naar je kijkt. Die anderen, zeg jij, brengen jou niet uit balans. Mij wel. Meer dan me lief is. Bij elke tekst die ik plaats ben ik bang dat hij me zal achtervolgen. Dat mijn woorden worden verweven met de werkelijkheid. Dat ik datgene wat ik beter niet hardop kan zeggen ook maar beter niet zwart op wit online kan zetten. Daar baal ik van. Eén van mijn tien vingers heeft altijd een afgekloven nagel. L’enfer, c’est les Autres.

Bij het teruglezen van een paar van mijn oudere blogs viel me op dat angst en dood steeds terugkerende thema’s zijn. Ik schrok zelf van de zwaarmoedigheid. Maar ik kan er niks aan doen. Ik geloof niet, net als jij, dat er ooit iets beters komt. Ik geloof in niks. Behalve in dat oneindige heelal dat niet in mijn hoofd past, maar dat ik er wel dagelijks in probeer te proppen. In een wereld die ooit begon met een knal en die nu langzaam, zachtjes jammerend, ten onder gaat. En dat dat gebeurt voordat ik heb uitgevonden hoe ik erom kan lachen. Hoe kun je daar nu in godsnaam niet bang voor zijn?

Wat heb ik daarvoor nodig? Naïviteit? Onverschilligheid? Intelligentie, of juist een gebrek daaraan? Of is het is zo eenvoudig als Jacob Jan Voerman beschrijft, en moet ik alleen maar stoppen met het zoeken naar die gebruiksaanwijzing. Maar dat is ook makkelijker gezegd dan gedaan.

Ik heb daarom nu bedacht dat mijn eerstvolgende blog een tekst moet worden over iets heel kleins. Iets alledaags. Iets leuks. Over dat ik vanavond verse asperges eet. Over de merel die hier elke ochtend op het dak van de schuur een deuntje fluit. Over de klaprozen die overal om ons huis heen uit de grond zijn geschoten.

Niks niet angst of dood. Gewoon wat meer (be)leven. Onderwerpen die geen partij zijn voor mijn verstand, mijn hersenen. Zo’n bordje asperges gaat er zonder problemen in. Misschien komt er dan ook wat meer positiviteit uit.

Wat denk jij, kunnen we dat aan?

Pages:

Jij bent steeds een ander

Schrijf ik voor mezelf, of voor een ander? Als ik alleen voor mezelf zou schrijven, zou ik dit net zo goed in een papieren dagboek kunnen doen. Of op een niet-openbare plek op mijn pc. Ik zet mijn teksten echter online. Toegankelijk voor iedereen, leesbaar voor de hele wereld. En als ik reacties krijg op posts, ben ik daar blij mee. Dus… schrijf ik wel degelijk (ook) voor anderen. Voor jou. Ik wil weten wat jij ervan vindt. Maar als je me zou zeggen dat mijn teksen je niets doen, zou ik mijn stijl dan aanpassen? Nee, hoogstwaarschijnlijk niet. Een tekst is nu eenmaal een gedeelte van mij. Zou ik het erg vinden? Ja, want je wijst dan een deel van mij af. En dat vind ik vaak nog erg moeilijk.

 

Schrijven is in dit opzicht maar een vreemd ambacht. Ik begon er ooit mee, als kind, omdat ik het leuk vond. Het verzinnen van een verhaal, het kiezen van woorden, dat proces maakte me blij, zorgde voor creativiteit. En ik was er goed in. Als basisschoolmeisje ontving ik als allereerste ooit het cijfer 10 voor een opstel. Ik groeide ter plekke vijf centimeter van pure trots. Vanaf dat moment wist ik: als ik groot ben, word ik schrijfster. Schrijf ik een boek. En vind iedereen mij goed.

Maar wanneer ben je als schrijver ‘goed’? Als je iets publiceert? Als je veel boeken hebt verkocht? David Baldacci is wereldberoemd en verkoopt als een tierelier, maar ik kom niet door zijn boeken heen. Jij misschien wel. Eén van mijn lievelingsboeken, The Secret History van Donna Tartt, werd door een vriendin als ‘taai’ bestempeld. Onbegrijpelijk. Voor mij. Dus wat is toegankelijk en leesbaar, goed of slecht? Wat is kunst, wat is literatuur? En wie bepaalt dat? Een groep critici, vaak van een bepaalde generatie, die een afvinkbare lijst kenmerken heeft opgesteld waar een tekst, boek  of schilderij aan moet voldoen?  Maar hoe zit het dan met hún persoonlijke smaak?

Een tijd geleden zag ik een documentaire over een expositie van abstracte schilderijen. Kunstcritici waren vol lof over de nieuwe kleurencomposities en de onderliggende thema’s van de doeken. Totdat bekend werd dat de doeken door apen waren geschilderd. Tegenwoordig kun je in het Museum of Zoology in London naar een expositie van schilderijen die door dieren zijn gemaakt: Art by Animals. Als de creatieve uitspattingen van dieren al ‘kunst’ worden genoemd, zijn niet alle mensen dan per definitie kunstenaars?

Ik zie mijzelf niet als kunstenaar. Wel als schrijver. Omdat ik schrijf. Dat doe ik voor mezelf én voor een ander. Voor mezelf omdat het mij verlicht. Dat wat ik wil zeggen komt in geschreven woorden altijd beter uit de verf dan hardop uitgesproken. Voor jou, omdat ik weet dat je er bent. Altijd.

Haye van der Heyden schreef ooit een boek met de prachtige titel Jij bent steeds een ander. Jij, de lezer, de toeschouwer, de luisteraar, bent niet iedere dag dezelfde. De ene keer ben je iemand die van ondoorgrondelijke woorden houdt, de andere keer word je blij van column-achtige teksten die een punt maken. Ik ben zelf ook niet iedere dag hetzelfde. De ene keer ben ik boos of verdrietig, de volgende keer tevreden of blij. En mijn teksten zijn dan ook steeds verschillend.

Jou er keer op keer mee weten te raken, dat is de uitdaging. Me niets aantrekken van wat anderen er van vinden, dat is (de) kunst.

Pages:

Struikelblog

Schrijven voorkomt hoorbaar struikelen over woorden. In mijn hoofd liggen gedachten en formuleringen door elkaar op één grote hoop. Verschoven, ondersteboven. Woorden stommelen als onbeholpen kinderen uit mijn mond. Enthousiast en oprecht, maar vaak ook ondoordacht of tactloos.

 

Schrijven is ordenen. Hier en daar veeg ik wat rondslingerende lettergrepen bij elkaar, ik maak stapeltjes van opmerkingen die hetzelfde lijken te zeggen. En in een hoekje waar het rustig is maak ik een speciaal plekje vrij. Daar komen de woorden die prettig klinken, de zinnen die vloeiend lopen en de beelden die goed passen. Tussen dat hoekje en de chaos loop ik heen en weer. Soms kalm en beheerst, veel vaker ongeduldig en gefrustreerd.

Want er is ook nog dat deurtje naar buiten. Een deur die uitkomt op een klein pleintje, waar ik soms de door mij geordende woordenstroom tevoorschijn tover. Waar passanten blijven staan en aandachtig luisteren. Waar ik zomaar kan worden aangesproken of… waar ik helemaal niet word opgemerkt. Dat laatste raakt me. Vaak laat ik die deur daarom gesloten. Voor de zekerheid.

Vorige week klopte er ineens iemand aan. Hij stak zijn hoofd om de hoek van de deur en zei: kom naar buiten. Haal het slot van de deur. Wees niet bang als mensen naar binnen gluren en de rommel zien. Want dat ben jij.

Aan de overkant van het plein zie ik hem staan, hij steekt met kop en schouders boven de massa uit. En als ik goed luister, hoor ik vooral mooie geluiden.

Ik doe een klein stapje naar vooruit.

Het maakt niet uit als ik struikel.

 

Pages: