Huup, huup…. (hoe behoed je je achtjarige voor een) babbeltruc!

 

Er staat een jonge vrouw in een rode jas voor de deur.

Van het Rode Kruis, laat ze ons weten.

Mijn achtjarige dochter wil direct haar spaarpot legen. Dat blijkt zinloos. Collectebussen, zegt de vrouw, daar doen ze tegenwoordig niet meer aan. Of ik mijn naam en rekeningnummer even in wil vullen op haar meegebrachte tablet.

Nou… nee.

Persoonlijke gegevens achterlaten op tablets, daar doe ik dan weer niet aan. Ik wil de voordeur sluiten, maar de vrouw is nog niet klaar. “Kunt u me dan ergens anders mee helpen?” vraagt ze. “Ik wil deze tas met boodschappen niet de hele avond met me meedragen. Mag ik de tas in uw koelkast zetten? Om zes uur haal ik hem dan weer op.”

In mijn hoofd gaan allerlei alarmbelletjes rinkelen. Ik denk aan de meldingen van wijkbewoners op de buurt-app en de berichten in de media. Postpakketjesfraude, babbeltrucs en laatst zelfs de landelijk actieve bloedprikbende; allemaal manieren om bij mensen binnen te komen en ze geld afhandig te maken.

Razendsnel neem ik een besluit.

“Sorry,” zeg ik tegen de vrouw, “wij zijn er om zes uur niet, want we gaan bij opa en oma eten.” In mijn ooghoeken zie ik het gezicht van mijn dochter oplichten, maar ik houd dat van mezelf in de plooi. Tevreden doe ik de voordeur dicht.

“Jaaa, we gaan bij opa en oma eten!” roept mijn dochter blij. Ik besef meteen dat ik gewoon eerlijk tegen de Rodekruisdame had moeten zijn. “Lieverd,” zeg ik tegen mijn kind, terwijl ik mijn hand op haar schouder leg, “dat was een smoesje. Omdat ik het niet vertrouwde. Er zijn namelijk mensen op deze wereld die…”

Hoe leg ik bloedprikbendes en nepmonteurs uit aan een achtjarige?

De ogen van mijn dochter worden steeds groter. Dan begint ze onbedaarlijk te huilen. “Och, lieve schat,” sus ik, “we gaan binnenkort heus nog wel een keer écht bij opa en oma eten.” Ineens verandert haar gezicht van verdrietig in boos. “Het gaat niet om opa en oma,” zegt ze, “het gaat om die mevrouw van het Rode Kruis, mama! Het Rode Kruis is er om mensen te helpen, maar jij wilt háár niet eens helpen. Jij bent een liegbeest!”

Ze loopt de kamer uit en ik blijf verslagen achter.

Schuldig aan mijn eigen omgekeerde babbeltruc.

En ook nog op heterdaad betrapt.