Hoe ik ondanks een zesje voor Nederlands toch schrijfdocent werd

 

“Wat gebeurde daar nou?”

Mijn collega kijkt me vragend aan.

We komen net uit een vergadering en ik heb een kurkdroge mond. Maar niet van al het praten.

“Zwart,” breng ik uit.

“Zwart?” zegt mijn collega, niet begrijpend waar ik het over heb.

“Ik had een black-out,” zucht ik.

“Jij? Da’s grappig,” is haar antwoord, maar ze lacht niet.

Voor mij is het niks nieuws: ik ben slecht in vergaderen. Tijdens vergaderingen verwachten mensen ad hoc-reacties. En in Eefs Persoonlijke Woordenboek staat achter de term ad hoc: dat vreselijke moment waarop je hardop iets moet zeggen Wat Ertoe Doet. Toestand die vaak gepaard gaat met hartkloppingen en/of angstzweet. 

Het gesproken woord en ik.

It’s complicated.

In een ruzie met mijn Lief blaas ik hem vaak ongevraagd omver met een stortvloed van aaneengeregen zinnen vol argumenten en bewijsvoering waar hij niks tegenin kan brengen, niet in de laatste plaats omdat ik tijdens dat soort tirades zelden een pauze inlas.

Maar krijg ik in een vergadering spontaan het woord, dan is alles wat volgt vaak wat onsamenhangend gestotter. Of een opmerking die als ‘ondoordacht’, ‘ongenuanceerd’ of zelfs ‘onhandig’ wordt geclassificeerd.

Dat was altijd al zo.

Ik herinner me een geschiedenisles op de middelbare school, waarin de docent me onverwacht vroeg of ik de naam van een farao uit de 18e Dynastie van het Oude Egypte kon noemen. “Toet, toet,” kwam er uit mijn mond, tot grote hilariteit van mijn klasgenoten.

Nog geen minuut later, toen de aandacht werd verlegd naar een andere klasgenoot die heel hard ‘Nefertie-tuuuhhhhh’ riep (pubers zijn zó flauw), wist ik het antwoord – Toetanchamon –  en vervloekte ik mijn weigerende hersenen om zoveel kortsluiting op weg naar mijn mond.

Geen wonder dat ik schrijver wilde worden.

Spreken was immers niet aan mij besteed.

Als je me twintig jaar geleden had verteld dat ik het geven van presentaties en workshops leuk zou gaan vinden – wat zeg ik, dat ik er nu zelfs goed in ben én er energie van krijg – had ik je hard uitgelachen (of er een onhandige opmerking over gemaakt).

Toch steekt mijn verbale kneuzigheid ook vandaag de dag nog wel eens de kop op.

Zoals in zo’n vergadering.

Ik krijg ‘de beurt’, alle ogen zijn op me gericht, ik weet: nu móet er iets verstandigs (een mening), slims (een oplossing) of zinnigs (een toevoeging) uit mijn mond komen. En dan gebeurt het: mijn reptielenbrein neemt het over en ik denk alleen maar: ……. [insert krekelgeluid].

Pure, onversneden angst dus.

Dat verklaart ook dat magere zesje wat ik op het gymnasium behaalde voor mijn mondelinge examen Nederlands. Het had een thuiswedstrijd moeten worden, want literatuur was mijn lust en mijn leven.

Maar toen de docent me op het moment suprême in een benauwd overhoringskamertje vroeg wat het overkoepelende thema in het boek Veertig van Kees van Kooten was, bleef het antwoord ergens steken. Ik klapte dicht en was meer bezig met de zweetdruppels op mijn bovenlip dan met het feit dat het cijfer wat ik voor dit examen zou krijgen mijn enige kans was om mijn gemiddelde voor het vak wiskunde op te halen.

“Schrijven,” zei ik, “het gaat over schrijven. En over een hond.”

Toen ik even later buiten in de gang uit stond te huilen tegen een klasgenootje, zwaar gefrustreerd over het simplistische verbond dat mijn angst had gesloten met mijn spraak, kwam de docent Nederlands naast me staan en legde zijn hand op mijn schouder.

“Ik weet dat je het weet,” zei hij. “dus geef me dan op z’n minst nú nog even het juiste antwoord.”

En toen rolden de woorden zomaar uit mijn mond.

De docent kneep zachtjes in mijn schouder. Hij zei dat hij dit helaas niet meer mee mocht rekenen voor mijn eindcijfer, maar dat ik één ding moest onthouden: “Je grootste criticus, dat ben je zelf.”

Dit jaar ben ik veertig geworden en dacht ik terug aan dat moment, aan die docent. Aan de energie die ik de afgelopen twintig jaar stak in het overwinnen van die diepgewortelde onzekerheid. Aan de presentatietraining die ik jaren geleden volgde, waarin ik er tot mijn verbazing achter kwam dat een supersterke presentatie op dezelfde manier is opgebouwd als een retegoeie tekst. (Ik kon het dus potdomme al die tijd al!) Aan blokkades, en dat we die als mens vaak zelf in stand houden. En aan het motto in het boek van Kees van Kooten:

When I see anyone I know coming on the same side of the street I start giggling nervously, and as they come into the picture beat them to it with some such remark as:

“It’s white!”

“What’s white?” they say, not being in on the secret.

“My suit,” I say. “I thought I’d put on a white suit.”

My ten years in a Quandary (Robert Benchly, 1889-1945)

 

Ouder worden, dat is het antwoord.