Mijn afkeer van de roze tutu (of: mep je liever met een Legotrein of met een toverstaf?)

Foto: Chirobocea Nicu via Unsplash

Foto: Chirobocea Nicu via Unsplash

 

“Kijk, ik ben een dienstmeisje!”

De vierjarige dochter van mijn vriend staat in een bloemetjesjurk-met-schort voor me en draait een rondje. Trots vertelt ze dat ze straks met haar vader ‘nagelstudio gaat spelen’. En gisteren deelde ze mee wat ze later wil worden: winterfee.

Ik zeg niks. Ik glimlach.

Ik kijk naar mijn eigen dochter, die op de achtergrond op Netflix naar Robots zit te kijken. Vier jaar lang had ze geen interesse in wat wij ‘typische meisjesdingen’ noemen. Ze mepte haar broertje liever met een Legotrein dan met een toverstaf.

Maar nu is ze onderdeel van een samengesteld gezin.

Alle kinderen – twee stuks van mezelf en twee van mijn vriend – mogen om de beurt kiezen welk filmpje ze voor het avondeten kijken. En dus kijkt mijn dochter ineens naar afleveringen van Barbie op de kostschool,  waarin meisjes met lange golvende haren leren hoe je je gracieus voortbeweegt in een baljurk. Vorige week vertelde ze me dat ze een prinsessenkasteel wil voor Sinterklaas. En haar nagels moesten plotseling ook een kleurtje.

Ik zei niks. Ik glimlachte.

Met aangespannen kaken

Mijn vriend zag het en zei: “Joh, zo erg is het toch niet?”

Daar moest ik een beetje van hoesten.

Barbie, My Little Pony, Prinses Sofia, Disney’s Assepoester en aanverwanten, voor mij zijn het allemaal vrolijke pakketjes toekomstig rolpatroondenken

Met een dikke roze strik er omheen

Ik háát roze.

Strikken trouwens ook.

Dat was al zo toen ik een klein meisje was.

Toen bouwde ik hutten in het bos. In het weekend sleutelde ik met mijn vader aan een Fleischmann-racebaan. Ik had korte haren, droeg cowboylaarsjes en in plaats van de Tina viel op zaterdagochtend de Donald Duck bij ons op de mat. Ik zat op jazzballet, maar danste als enige in een blauw-met-zwart gympakje tussen tien roze tutu’s.

Mijn ma, zelf opgegroeid in een uiterst traditioneel gezin en het toonbeeld van de thuisblijfmoeder, gaf me gedurende mijn jeugd één duidelijke opdracht mee: maak jezelf nooit afhankelijk van een ander. Emotioneel noch financieel.

Ik volgde haar raad op.

Zij wist immers waar ze het over had

Nu kun je zeggen dat de sprong van Barbiepoppen en roze tutu’s naar onzelfstandigheid en afhankelijkheid wel héél erg groot is. En dat klopt.

Maar het begint met een fucking tutu.

Het begint met ‘onschuldige’ tekenfilms.

Het begint met tegen je dochter zeggen ‘wat ben je mooi’ en tegen je zoon ‘wat ben jij een stoere jongen.’

Ik wil niet dat mijn dochter opgroeit met media die haar wijsmaken dat meisjes vooral mooi en gehoorzaam moeten zijn. Ik vind het stom dat de vader van mijn kinderen hardop lacht als zijn driejarige zoon zegt dat hij op dansles wil. Ik krijg vlekken van een wereld die bol staat van de stereotypen en moet ervan knarsetanden dat ik mijn kinderen daar niet tegen kan beschermen.

Begrijp me niet verkeerd

Ik hoorde mezelf laatst verontschuldigend tegen iemand zeggen: ‘Ik ben niet zo’n typische vrouw’, waarmee ik bedoelde dat ik niet goed kan koken, poetsen en strijken. Het zit er behoorlijk ingebakken, dat ellendige rollenpatroon.

Bij iedereen.

Maar het bewustzijn dat dat zo is, dát is de eerste stap op weg naar verandering.

“Wat is een dienstmeisje?” vraagt mijn dochter die middag, terwijl de aftiteling van Robots over het tv-scherm glijdt.

De dochter van mijn vriend legt uit dat dat iemand is die andere mensen eten en drinken brengt en het huis schoonmaakt.

“Oké,” mompelt mijn kind. Even lijkt ze na te denken, dan trekt ze haar neus op.

“Mama, waar is de voetbal?”

Ik zeg niks. En ik glimlach.